 |
|
|
|
|
Van oudsher woonden de 650 bewoners van Schokland op drie kunstmatig opgehoogde woonheuvels: de terpen Emmeloord, Middelbuurt en Zuidert. De rest van het eiland was te laag en te drassig voor bewoning. Door ruimtegebrek stonden de houten huisjes in de dorpjes dicht op elkaar gebouwd. Bij brand bleef de schade dan ook meestal niet beperkt tot één woning. Regelmatig kwamen bij hoog water grote delen van het eiland onder water te staan. Bij stormvloeden was men zelfs op de terpen niet veilig. In de 16e en 17e eeuw was er op het eiland nog voldoende grond beschikbaar voor akkerbouw en veeteelt. Rogge en boter van Schokland werden in de stad Kampen op de markt verhandeld. Maar rond 1700 was het eiland zo klein geworden dat voor akkerbouw geen plaats meer was. Door de drassige grond liep ook de veeteelt sterk terug. Langzamerhand werd visserij het belangrijkste bestaansmiddel en bracht veel bewoners een zekere mate van welvaart. Er werd vooral gevist op de Zuiderzee. Een populair schip was de 'Schokker', een scheepstype met zeer goede zeileigenschappen. In de 19e eeuw raakte de visserij in verval. Tegenvallende vangsten, veroorzaakt door een enorme teruggang in de haringstand, zorgden voor toenemende armoede. Steeds meer Schokkers konden niet meer zelfstandig in hun levensonderhoud voorzien. Velen werden afhankelijk van de staatskas en de liefdadigheid.
|
|