Ontruiming

In de 19e eeuw werden de vooruitzichten op Schokland hopeloos. Het grootste deel van de bevolking leefde in grote armoede. De visvangst leverde nauwelijks nog iets op. Door achterstallig onderhoud moest een groot deel van de vissersvloot worden afgeschreven. De meeste woonhuizen verkeerden in vervallen staat. Vooral tijdens de wintermaanden werd op het eiland veel honger geleden. Steeds vaker verschenen oproepen tot liefdadigheid in de kranten. Door de burgemeester van Schokland werd de situatie eens treffend beschreven: "Niet alleen zitten mensen in bitterste nood, 100 haarden zonder brandstof, 500 mensen zonder een bete broods! Men vraagt elkander 's morgens zouden er ook doden wezen". En dan was er natuurlijk nog de dreiging van de zee.
De stormramp van 1825 had pijnlijk duidelijk gemaakt dat de bevolking zelfs op de hogere terpen niet veilig was. De leefomstandigheden op het eiland waren kortom weinig rooskleurig. Toch bleken de Schokkers erg gehecht aan hun geboortegrond. Vrijwel niemand vertrok naar de vaste wal om daar een betere toekomst te zoeken. Bij de overheid rees het besef dat alleen een drastische ingreep een oplossing kon bieden.
In 1854 werd door de provincie geen geld meer gegeven om de verwaarloosde huizen op het terpje de Zuidert op te knappen. In de hoop dat de bewoners het eiland zouden verlaten werd juist de afbraak van de huizen gestimuleerd. Een jaar later ontruimden de bewoners de Zuidert en verhuisden naar de andere twee terpen. Dat was natuurlijk niet de bedoeling. In 1858 hakte de regering uiteindelijk de knoop door.
Koning Willem III tekende een wetsontwerp tot algehele ontruiming van Schokland. In maart 1859 maakte burgemeester van Schokland de ontruiming van het eiland aan de bevolking bekend. Binnen 4 maanden moest iedereen zijn eigendommen afbreken en het eiland hebben verlaten. Wel kregen de Schokkers een ruime schadeloosstelling uitgekeerd. Dit heeft zeker bijgedragen tot een soepele ontruiming van het eiland. Aan het begin van de zomer was de ontvolking van Schokland vrijwel voltooid. De meeste Schokkers trokken naar Kampen. Daar werden ze niet bepaald met open armen ontvangen. Binnen de stadspoorten waren de arme vissers niet welkom. Ze streken daarom massaal neer in het naastgelegen vissersdorpje Brunnepe.
De nieuwkomers woonden in kleine huisjes vlak bij elkaar. Al snel werd gesproken van de ’Schokkerbuurt’. Na de gemeente Kampen nam Vollenhove de meeste Schokkers op; ruim 30 gezinnen. In tegenstelling tot Kampen kregen de eilanders hier alle medewerking. Het gemeentebestuur zag in hun komst een welkome uitbreiding van de bedrijvigheid in de visserij. Bovendien werd zo het dalende inwonertal een halt toe geroepen. Een aantal Schokker gezinnen week uit naar de andere kant van de Zuiderzee. Ze vestigden zich op Urk, in Edam en vooral in Volendam, waar ze aansluiting zochten bij de katholieke gemeenschap.
http://www.schokland.nl